De OR en Leasebeleid
Misschien herken je het wel: collega’s benaderen je met vragen over het leasebeleid. Een belangrijk onderwerp, zeker nu veel bedrijven hun regeling aanpassen door wijzigingen in de fiscale regelgeving. In deze blog lees je wat die verandering precies inhoudt en wat jij als OR-lid kunt doen.
Welke fiscale wijziging?
Vanaf 2027 wordt een pseudo-eindheffing ingevoerd voor fossiele leaseauto’s[1]. Dat betekent dat werkgevers jaarlijks 12 procent van de cataloguswaarde gaan betalen voor personenauto’s met CO₂-uitstoot die zij aan werknemers ter beschikking stellen en die ook privé gebruikt mogen worden, inclusief woon-werkverkeer. Het gaat dus niet om een eenmalige heffing, maar om een structurele jaarlijkse kostenpost per leaseauto.
Hierdoor ontstaat er nu ook een extra kostencomponent aan de kant van de werkgever. Elektrische auto’s vallen buiten deze heffing en worden daardoor relatief aantrekkelijker. Eerst stimuleerde de overheid elektrisch rijden met een lage bijtelling, maar die is stapsgewijs verhoogd tot bijna het niveau van die voor fossiele auto’s. Nu kiest de overheid voor een jaarlijkse heffing van 12% op fossiele leaseauto’s, waardoor elektrisch rijden weer relatief aantrekkelijker wordt. Daarnaast maakt de ontwikkeling van zero-emissiezones in diverse gemeenten het minder aantrekkelijk om auto’s op fossiele brandstoffen te rijden[2]. Tot slot is de stijging van de benzine- en dieselprijs een belangrijk motief om meer elektrisch te rijden. Dit is nadelig voor de rijder, maar ook voor werkgevers die de brandstofkosten betalen en met hun bedrijfswagens niet meer bij bepaalde klanten in de binnenstad kunnen komen.
Juist die combinatie zorgt ervoor dat veel organisaties hun leasebeleid al aanpassen voordat de maatregel daadwerkelijk ingaat. Wat we in de praktijk zien, is dat beleid vaak verschuift naar een EV-only-model. Niet omdat de wet dat verplicht, maar omdat financiële en organisatorische voorspelbaarheid beter wordt gewaardeerd. Het voorkomt dat organisaties straks vastzitten aan dure contracten of plotselinge kostenstijgingen in hun wagenpark.
Wat betekent dit voor de OR?
In veel organisaties leidt dat tot vragen van medewerkers aan de ondernemingsraad. Kan de werkgever dit zomaar veranderen? Mag mijn keuze voor een benzineauto zomaar verdwijnen? En is dit niet gewoon een verslechtering van mijn arbeidsvoorwaarden? Die vragen zijn logisch, wijzigen van het lease beleid ervaren velen als een grote impact.
Er staat niets in de WOR over wijzigen van lease beleid. Artikel 25 lid 1 als artikel 27 lid 1 zijn limitatieve opsommingen en tussen die onderwerpen staat niet iets over leasebeleid. Je kunt dus niet vanzelfsprekend beroep doen op het advies- of instemmingsrecht. Maar er zijn enkele mitsen en maren.
- Verworven recht: Indien een werkgever gedurende langere tijd en zonder voorbehoud de OR om advies of instemming vraagt bij wijzigingen van het leasebeleid, kan sprake zijn van een bestendige gedragslijn waaruit een bovenwettelijk medezeggenschapsrecht voortvloeit (artikel 32 WOR). Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder meer de frequentie, de duur van de praktijk, de formulering van eerdere verzoeken en het al dan niet maken van een expliciet voorbehoud. In dat geval kan de werkgever de OR bij een volgende wijziging niet zonder meer passeren. Dus als de bestuurder de OR vraagt in te stemmen met een voorgenomen besluit, hoewel hiervoor geen wettelijk instemmingsrecht geldt, dan is dit een bovenwettelijk instemmingsrecht. Het Hof Den Haag oordeelde over het bovenwettelijk instemmingsrecht van de OR op reiskostenvergoeding nadat de werkgever eerder al om instemming had gevraagd (ECLI:NL:GHDHA:2022:835).
- Aanvullende rechten: staat er iets over het mobiliteitsbeleid beschreven in een ondernemingsovereenkomst/convenant? Oftewel, zijn er afspraken gemaakt dat er een rol voor de or is weggelegd, in advies, instemming of gewoon overleg etc.? Dan kan er sprake zijn van medezeggenschap. Zoals hierboven beschreven, regelt artikel 32 WOR bovenwettelijke afspraken. In lid 2 van dat artikel staat: "Bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingsraad meer bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend en kunnen aanvullende voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden gegeven." Dit betekent dat ze aanvullende advies- of instemmingsrechten kunnen vastleggen in een reglement of een convenant. Een afspraak vastleggen in de notulen van een overlegvergadering is vaak ook voldoende.
- Milieumaatregel: Sommige werkgevers brengen naar voren dat elektrisch rijden een milieuvriendelijkere keuze is en daarom geïmplementeerd moet worden. Als dit argument wordt gebruikt, zou de kwestie onder het adviesrecht van de ondernemingsraad kunnen vallen. Volgens de wet moet de ondernemer de OR de kans geven om advies te geven over belangrijke milieumaatregelen die hij van plan is door te voeren. Dit omvat niet alleen concrete acties, maar ook beleid, organisatorische aanpassingen of administratieve regels die gericht zijn op milieuzorg binnen de onderneming.
- Individuele contracten: naast de WOR is de individuele arbeidsrechtelijke jurisprudentie rondom leaseauto's van groot belang. Zodra het recht op een leaseauto is opgenomen in de arbeidsovereenkomst, mag de werkgever dit niet zomaar eenzijdig intrekken of wijzigen. Zelfs niet als de OR wél heeft ingestemd met een nieuw mobiliteitsbeleid. De werkgever moet hiervoor aantonen dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfseconomische omstandigheden én dat er met de individuele medewerker een regeling is getroffen. Bij eventuele rechtsgang van de medewerker helpt het de werkgever als hij de OR heeft betrokken en zij, als vertegenwoordiger van het personeel, hebben ingestemd. Een argument om de OR dus wél te betrekken bij het wijzigen van het mobiliteitsbeleid. Kortom, als de leaseregeling expliciet staat beschreven in het individuele arbeidscontract, dan is de organisatie daar contractrechtelijk aan gehouden, en kan de wijziging alleen met wederzijdse instemming tussen werkgever en werknemer.
- Los van het wettelijke argument kiezen sommige werkgevers er expliciet voor om de OR te betrekken bij deze wijziging. De OR kan van toegevoegde waarde zijn door inhoudelijk goed naar het voorstel te kijken en aanbevelingen te doen. Daarnaast zal het betrekken van de OR het draagvlak voor het nieuwe beleid kunnen vergroten. Als je aan mensen hun leaseauto komt, geeft dat vaak een emotionele reactie. Die signalen bereiken de OR. Dan is het zaak om dit onderwerp toch op de agenda te zetten. Vanuit de zorgplicht (artikel 28 WOR) van de OR wil je deze signalen bespreekbaar maken en benadrukken dat het eenzijdig wijzigen van het leasebeleid impact heeft op het werkgeluk, motivatie etc. Kortom, het is niet vanzelfsprekend dat de OR vanuit wettelijk oogpunt betrokken wordt, maar het is wel logisch en verstandig gezien de impact die deze maatregel heeft op het personeel.
Conclusie
De OR kan fiscale ontwikkelingen uiteraard niet tegenhouden, maar heeft wel invloed op de manier waarop een organisatie ermee omgaat. De wet dwingt niet tot een EV-only-beleid. Het is een strategische keuze van werkgevers die voortkomt uit kostenafwegingen en risicobeheersing. Juist daarom ligt er ruimte voor een gesprek over de manier waarop die transitie vormgegeven wordt.
In de praktijk betekent dit dat de OR niet alleen naar de vraag moet kijken of de verandering noodzakelijk is, maar vooral naar de manier waarop die wordt ingevuld. Wordt er bijvoorbeeld alleen gekozen voor een harde knip naar elektrische auto’s, of wordt er ook nagedacht over alternatieven zoals mobiliteitsbudgetten of meer flexibele vormen van vervoer? En hoe wordt er omgegaan met situaties waarin elektrisch rijden in de praktijk minder goed aansluit, bijvoorbeeld door lange woon-werkverkeersafstanden of beperkte laadinfrastructuur?
De rol van de OR zit daarmee minder in het blokkeren van verandering en meer in het bewaken van de redelijkheid, de uitlegbaarheid en de uitvoerbaarheid van die verandering voor de medewerkers. Juist bij dit soort fiscale prikkels bestaat het risico dat beleid snel technisch en financieel wordt ingezet, terwijl de impact op de medewerkerservaring en keuzevrijheid onderbelicht blijft. Nogmaals: het wijzigen van het leasebeleid leidt vaak tot heftige emoties, en daarom is het zo belangrijk om als OR hierbij betrokken te zijn.
De ondernemingsraad die hier vroegtijdig bij betrokken is, kan ervoor zorgen dat de overgang niet alleen financieel logisch is, maar ook eerlijk, uitlegbaar en werkbaar blijft voor de medewerkers. Dat is uiteindelijk waar medezeggenschap in dit soort dossiers het verschil maakt.
Is jouw werkgever ook van plan het leasebeleid te veranderen? Neem contact op om te sparren en om tips te vragen.
[1] https://www.pwc.nl/nl/actueel-en-publicaties/belastingnieuws/loonbelasting-en-sociale-verzekeringen/pseudo-eindheffing-voor-fossiele-leaseautos-vanaf-tweeduizendzeventwintig.html?utm_source=chatgpt.com
[2] https://www.milieuzones.nl/
Geschreven door Bob van Weert, organisatie-adviseur bij DeVerandermotOR. Leer meer over Bob bij "het team" of op LinkedIn.


